friesjournaal logo

Presentatie van het ‘slavenmaal’. Vlnr Jaleesa Schiphorst, Eva Mensah, Judith Cyrus, Marian Marijke Markelo, David Lelieveld en Reitse Spanninga.

LEEUWARDEN – In het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden hangt een schilderij met de Friese stadhouders Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz (1612-1640) en zijn broer Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664) en hun neven Hendrik (1611-1652) en Georg Frederik van Nassau-Siegen (1606-1674). Vier officieren uit de hechte Nassau-familie die zij aan zij op het slagveld vochten. Twee van hen verloren er hun jonge leven. Het meeste licht valt op de twee Friese Nassau’s Willem Frederik en Hendrik Casimir, bewoners van het Stadhouderlijk Hof en stamvaderen van het huidige vorstenhuis Oranje-Nassau.

Maar het oog springt meteen door naar een zwarte jongen in een rood pak. 

Een ‘exotische’ bediende op een schilderij was een onomwonden verwijzing naar rijkdom en luxe. Vaak zie je deze zwarte pages iets aanreiken of vasthouden, waarbij ze vol eerbied omhoogkijken naar hun meesters, een witte man of vrouw. Zoals op dit schilderij: de zwarte jongen houdt de helm vast van Georg. Wie deze jongen met een grote parel in zijn oor was zullen we niet weten want hij heeft geen naam, werd niet bij name genoemd. Wat is zijn afkomst en hoe kwam hij in Friesland in dit gezelschap, deze hofhouding terecht? Mogelijk via de familie, maar dan nog. Georg en Hendrik waren jongere broers van Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679), bijgenaamd ‘de Braziliaan’, de bouwheer en bewoner van het Mauritshuis in Den Haag. Hoogstwaarschijnlijk was deze veldmaarschalk en tevens gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië betrokken bij de slavenhandel. In elk geval werd hij een zeer vermogend man.

Dat deze jongen geen naam heeft, niet noemenswaardig is, is exemplarisch. Hij staat symbool voor de slavernij die ons land welvaart bracht omdat die samenhangt met ons koloniaal verleden. Slaven leefden in de marge maar slavernij begint te herleven. Over twee jaar is het 150 jaar geleden dat de slavernij officieel werd afgeschaft, hoewel het in Suriname tot 1873 duurde voordat de slaven vrij waren. In die laatste tien jaar moesten ze op de plantages onder toezicht werken. De jaarlijkse herdenking is afgeleid van Suriname en heet daarom Keti Koti, in de oud stamtaal Sranantongo betekent dat ‘ketenen gebroken’. De puriteinen onder de herdenkers dragen dikwijls een button met daarop het jaartal 1873.

Free Hêri Hêri

Voor het eerst werd in Leeuwarden stilgestaan bij de slavernij-afschaffing. Dat werd gedaan met Free Hêri Hêri, een maaltijd zoals die vroeger door de slaven werd bereid. Het is een Creools gerecht van aardvruchten als cassave, napi en aardappel, met bananen in combinatie gezouten vis (stokvis – uit Nederland – bakkelau in Suriname genoemd), later uitgebreid met groenten en ei. In de oorspronkelijke versie is het een eenzijdige maaltijd waardoor de slaven aan een ernstig ijzergebrek leden en daardoor niet oud werden, zo bleek uit een bottenstudie. Hêri Hêri is wel rijk aan koolhydraten en heel voedzaam. Het was immers de brandstof waarop gewerkt moest worden. Nog altijd is het volgens het huidige recept een zeer geliefd gerecht.

Op de proeverij in de Walrus, bereid door de topkoks Judith Cyrus en Reitse Spanninga, was Maria Marijke Markelo uit Amsterdam (Suriname 1956, doopnaam Efira Mensah) te gast. Zij is het gezicht van de slavernijherdenking. In een bevlogen speech maakte deze persoonlijkheid een statement en wees zij op de pijn en verdriet die zwarte mensen generaties later nog voelden om het leed wat hun voorvaderen is aangedaan. Dat maakte veel indruk op de aanwezigen. Dat deed ook Eva Mensah die al even gloedvol kan praten. Zij was met Jaleesa Schiphorst (22) uit Dronrijp betrokken bij de organisatie. Jaleesa nam in 2020 het initiatief tot het antiracismeprotest in Leeuwarden toen de Black Lives Matter-beweging in Amerika opstond.

Evenement

Voor producent David Lelieveld van Pier21 was de slavernijherdenking aanleiding om rond de maaltijd een evenement op te tuigen: Free Heri Heri Fryslân. Vijfhonderd gasten konden inschrijven voor de maaltijd en het culturele programma. Dat voerde in groepen van vijftig wandelend van het startpunt Stadhouderlijk Hof en de Walrus langs het Natuurmuseum Fryslân en Zalen Schaaf naar de Grote Kerk. Voordrachten en zang waren van hoog niveau en kregen de toehoorders muisstil.

Weeshuis

Bij het Natuurmuseum (tot 1955 weeshuis) werd verteld over Jacobus Martinus Baljée (1752-1823). Na het overlijden van zijn ouders werd hij samen met een broertje en twee zussen opgevangen in het Nieuw StadsWeeshuis aan het Schoenmakersperk. Hij woonde er drie jaar en is toen door de ‘Stads-Chirurgijn’ aangenomen als leerling. In 1771 is hij op kosten van het weeshuis vertrokken naar Oost-Indië waar hij verschillende functies vervulde op de compagnieschepen van de VOC. Vervolgens kocht hij bij Batavia (nu Djakarta) een uitgestrekt landgoed. Hij had ruim 6.000 mensen in dienst en hij zorgde goed voor hen. Als dank kreeg hij ereposten als burgemeester van Batavia en kolonel van de Inlandse Troepen. Terug in Nederland als zeer vermogend man werd hij in 1802 benoemd tot directeur van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen in Haarlem. Hij en zijn vrouw bleven kinderloos en bij zijn overlijden in 1823 liet hij al zijn bezittingen na aan het weeshuis als dank voor de kansen die hij had gekregen. Zijn ‘slaven’, zeer gewaardeerde medewerkers, waren toen al vrijgemaakt. Dit verhaal staat beschreven in het boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân van Barbara Henkes.

Philander de Baron

Baljées denken en handelen is illustratief voor de Friese volksaard. Er zijn wel sporen maar uitbuiting en onderdrukking passen niet in onze provincie die zelf altijd voor vrijheid en zelfstandigheid heeft gevochten. Tolerantie jegens nieuwelingen heeft hier altijd bestaan. De lotgevallen van Philander de Baron zijn daar een goed voorbeeld van. Hij staat op het schilderij Maaltijd met Julius Schelto van Aitzema, Sara van der Broek, gasten en bedienden. Dit doek is het topstuk van Museum Dokkum. In het kader van de tentoonstelling Slavernij was het in het Rijksmuseum te bewonderen. Het schilderij is vaker uitgeleend aan een museum voor een tentoonstelling van landelijk of internationaal niveau. In het verleden heeft slavernij in Nederland een grote rol gespeeld, niet in Friesland. Op het schilderij staat een groep rijke Friezen met donkere bedienden afgebeeld. Het zou volgens historici gaan om een Aziatisch gezin (vermoedelijk Bengaals) met donkere mensen die vermoedelijk geen slaaf waren maar wel onder dwang naar Friesland zijn gebracht en hier als bedienden, als pages in vrijheid leefden. Rijke Friese families hadden in de 18eeeuw vaker donkere bedienden die geen slaaf waren maar volwaardig meedraaiden in de familie. De donkere jongen op de voorgrond (Philander) trouwde later met een Friese vrouw en maakte carrière in Dokkum waar hij meerder panden in eigendom verwierf. Hij stierf als een bemiddeld man van statuur. 

Geen excuses

Wat betreft het maken van excuses voor het slavenverleden: dat heeft geen zin, is symboolpolitiek. Je kunt je niet excuseren voor wat je ouders en voorouders hebben gedaan. Herdenken, memoreren en het verleden niet laten rusten is goed. Dat draagt bij aan kennis en inzicht. We moeten trots zijn op de slaven, niet op de slavernij. Zoals we ook trots moeten zijn op onze pioniersgeest, op de mannen van stavast die jaren zeilend op een fluitschip de wereld ontdekten, havens en steden stichtten, handeldreven en ontginning mogelijk maakten. Ja, daar kwam verrijking bij kijken en dominantie over volkeren. Maar tijden hebben tijden.

Albert van Keimpema

Partners