friesjournaal logo

In Amsterdam hebben we vier dagdelen; de ochtend, de middag, borreltijd, en de avond.

Als het werk erop zit, en de bekende vijf in de klok is gepasseerd, houdt de middag op. Borreltijd is aangebroken en het is tijd voor een glaasje. In de winter spreken we met collega’s of vrienden af in een café, in de zomer op het terras. Het prettige van een borrelafspraak is dat je van tevoren weet dat het een tijdslot betreft van pak ‘m beet twee uurtjes, en dat ieder daarna zijns weegs gaat om te eten. Je neemt om een uur of zeven afscheid en schuift om half acht met partner of gezin aan de dis. De borrelafspraak staat in ieder geval los van het avondeten. Je drinkt een biertje, tegenwoordig een speciaal biertje, of een glas witte wijn of rosé. Er hoort ook een consumptie bij de borrel want op de lege maag drinken is vragen om moeilijkheden. In Amsterdam zijn de laatste jaren steeds meer etablissementen die inspelen op de borrelcultuur door op de kaart een keur aan kleine hapjes aan te bieden die je kunt nemen als aperitief maar die ook zeer geschikt zijn als borrelhap; een blikje sardientjes, een artisjok, bruschetta’s of geitenkaas blini’s. Het zijn vooral wijnbarretjes die als paddenstoelen uit de grond schieten en die naast hun uitgebreide wijnkaart zich ook onderscheiden in gevarieerde borrelhapjes. Ik betrap mezelf erop dat ik tegenwoordig steeds vaker op de website de borrelkaart bestudeer, alvorens ergens af te spreken. 

In Friesland heerst een andere borrelcultuur. In mijn jeugd bestond die helemaal niet. Er was destijds geen terras in Drachten te bekennen en de cafés werden rond borreltijd voornamelijk bevolkt door mannen die er na hun werk een paar kopstoten achteroversloegen. Dat ze uit hun werk kwamen verzin ik er zelf bij, misschien zaten ze er ook wel de hele dag. In ieder geval herinner ik me dat mijn Friese vrienden om vijf uur ’s middags koffie dronken, om zes uur aan tafel gingen en in het weekend werd er na het eten ’s avonds pas gedronken. Nu ik na dertig jaar naar mijn roots ben teruggekeerd, is er wel wat veranderd. Ik woon nu in een dorp dat voornamelijk bestaat uit terrassen. De hapjeskaart is nog niet zo gecultiveerd als in Amsterdam, maar dat hindert niet, ik bestel ook graag een bitterbal, kaasstengel of een schaaltje nootjes. Maar ik moest toch even bij mijn Friese vriend, zelf een fervent borrelaar, te rade gaan hoe het staat met de Friese borrelcultuur anno 2021. Hij begint door te telefoon meteen het verschil tussen stad en platteland uit te leggen, en dan doelt hij op het verschil tussen de Friese steden en dorpen. ‘Van oudsher’, doceert hij, ‘ging het dorpsvolk aan het eind van de dag naar het café. Ze hadden tussen de middag warm gegeten, dus na het cafébezoek wachtte hen nog een boterham bij moeder de vrouw. De fabrieksarbeiders hadden een ander ritme. Zij hadden niet de luxe om tijdens de lunch thuis warm te eten en moesten een broodtrommeltje meenemen naar het werk. Het avondeten stond stipt om zes uur op tafel, dus een cafébezoek was niet aan de orde. En de boeren kregen op zaterdagochtend in het café (!) hun melkgeld uitbetaald en niet iedereen ging dan linea recta terug naar huis.’ Mijn vriend vertelt dat er een binnenvisser in het dorp was die, toen hij allang de fuiken op het droge had, nog steeds iedere zaterdagochtend om elf uur een aantal jenevertjes in het café dronk.

Ik dank mijn vriend voor deze historische uitleg en vraag hem hoe het nu gesteld is met de borrelcultuur. ‘In Friesland hebben de terrassen nog maar een jaar of dertig geleden hun intrede gedaan’, legt hij uit. ‘en sindsdien is het verschil tussen Amsterdam en Friesland niet zo groot meer. Maar de verschillen tussen de Friezen onderling is wel groot. De ene Fries borrelt nooit en gaat nog steeds stipt om zes uur aan tafel, de andere Fries strijkt einde middag graag neer op een terrasje.’ Ik dank hem voor de uitleg en we spreken af dat we elkaar snel treffen op het terras. Goddank zijn ze weer open.

Partners